Verdwalen in je eigen gelaagdheid. Het overkomt je misschien vaker dan je lief is wanneer je tussen culturen beweegt. Het kan knap vermoeiend zijn, dat richtingloze gependel.
Terug naar de start, dan maar weer. Maar dat punt lijkt zich telkens te verplaatsen. Temidden van die grote velden waar systemen en loyaliteiten samenkomen. Waar de resonantie van migratie meebeweegt. In wat ooit verloren is gegaan, maar zo vitaal was.
Daar voelt de grond onder je voeten soms alsof het niet vanzelfsprekend ook jouw grond is. Want grond is nooit neutraal. De ene wereld voelt als thuis, maar niet vanzelfsprekend, de andere vanzelfsprekend, maar niet helemaal als thuis.
Het doet je dwalen, zweven. En dan lijkt het makkelijker om maar weer te vertrekken.
Dat voortdurende schakelen is een fijngevoelige vorm van waarnemen.
Een lichamelijk aanvoelen van codes, verwachtingen en stiltes. Je scant, spiegelt, vertaalt, je bent alert. Je past toon, tempo en taal moeiteloos aan.
En ergens onderweg raak je misschien je oriëntatiepunt kwijt.
Of misschien ben je daar ooit juist vertrokken, omdat het leven iets anders vroeg.
Tegelijk leeft dat grote verlangen om een keer te landen. Om te voelen dat de grond onder je voeten ook jou voedt. Om te rusten in hoe het leven zich heeft ontvouwd.
Misschien komt er dan iets vrij waardoor je echt mag verschijnen. Met hele delen en gemankeerde delen. Luid en stil. Licht en donker.
Want op half verschijnen loop je leeg. Altijd maar aanpassen maakt moe.
En nergens helemaal instappen laat iets onverbonden.
Hoe kan wat ergens in jouw systeem huist, ook echt thuiskomen?
In jou. Met jou. Door jou heen. Zodat je kan zeggen:
Hier ben ik dan.
Met alles wat ik heb.
En dat is goed genoeg.
Daarmee leid en volg ik.
Ik heb mijn oriëntatiepunt gevonden.
Het mooie beeld is van Tja Ling, Spring 春天 2021 (detail)

